Sportinfrastructuur, wie betaalt dat?

Ex-leerkracht over ongelijkheid in het onderwijs
5 februari 2018
De geldkranen gaan open
23 april 2018

Sportinfrastructuur, wie betaalt dat?

Een kwart van de Leuvenaars sport nooit of slechts bij uitzondering. Voor de slimste stad van Vlaanderen is dat helemaal niet zo’n slimme statistiek. Sporten of bewegen geeft allerlei voordelen: een verlaagde kans op hart en vaatziekten, minder stress en het maakt je gelukkiger. Daarnaast stellen we vast dat de tevredenheid van sporters lichtjes daalt en dat de hoeveelheid sportinfrastructuur in Leuven onder het Vlaamse gemiddelde zit.

taak van de stad

De stad kan mensen niet verplichten om aan sport te doen, maar kan mensen wel de kans geven om te sporten. Zo is het een belangrijke rol van de stad om infrastructuur te voorzien en te investeren in sportclubs. Dit is de basis voor een gezond stedelijk sportbeleid. Als we zien naar de wachtlijsten die verschillende clubs helaas moeten hanteren kan enkel maar vastgesteld worden dat de stad op sommige vlakken tekortschiet.

Er bestaat weliswaar een uitgebreid reglement voor de financiering van sportclubs maar dit bestaat niet voor de financiering van sportinfrastructuur.

de huidige situatie

De situatie is complex. Om te beginnen hebben sommige sporters op dit moment hun eigen clubinfrastructuur, zoals verschillende voetbalclubs en de hockey. Anderen rekenen op infrastructuur van de stad zoals vele volleybal- en zaalvoetbalclubs. Nog andere sportievelingen komen terecht bij een private aanbieder zoals de klimclub, squashclub of bowlingclub.

Binnen de bovenstaande categorieën zijn er echter verschillende manieren waarop de infrastructuur gefinancierd wordt. In sommige gevallen beslist de stad om zelf de infrastructuur aan te leggen maar welke criteria ze daarvoor volgt, is niet duidelijk.

Nog complexer wordt het als een club een private investering doet met steun van de stad. Sommige clubs krijgen in zo’n geval een subsidie voor de aanleg van infrastructuur, anderen een renteloze lening, nog anderen krijgen een lening mét rente.

De gronden moeten soms aangekocht worden en in andere gevallen kunnen ze gehuurd worden van de stad. Soms is dat voor een symbolische euro maar voor andere gronden moet dan weer een jaarlijks bedrag betaald worden aan de stad. Dat bedrag kan dan weer deels gesubsidieerd worden door de stad. Er is geen lijn in deze investeringskeuze en er is ook geen kader voor de grootte van de investeringsbedragen.

legio voorbeelden

Sportclubs en private investeerders hebben dus geen idee op welke steun ze kunnen rekenen als ze een project op poten willen zetten. Maar niet alleen de eigendom en/of huur van de gronden kent geen structuur, ook zijn er legio voorbeelden van het gebrek aan een duidelijk kader voor de bouw of het herstel van elementen op deze gronden: Zo kreeg klimzaal Stordeur (een privaat bedrijf) een renteloze lening, maar kan die ook gegeven worden aan andere private spelers die in sportinfrastructuur investeren? Voetbalclub Olympia Wijgmaal kreeg een subsidie voor een reclamepaneel dat kapot was gegaan, De Leuven bears kregen voor een gelijkaardige zaak een renteloze lening. Krijgen andere sportclubs steun  voor het vervangen van kapotte panelen, wat met andere zaken die kapot gaan? De beheerders van het stadion van OHL kregen zowel een renteloze lening als een lening met rente voor de bouw van hun stadion met skyboxes, kan een andere sportclub ook op die steun rekenen?

Gebrek aan nieuwe sportinfrastructuur

Het beleid laat dus enorm veel ruimte voor onzekerheid en dat is nadelig voor de investeringen in sportinfrastructuur in Leuven. Hoewel er veel vraag is naar nieuwe infrastructuur geraken veel zaken niet van grond. Zo zoekt de skeelerclub een piste, zoeken de zwemmers meer zwemuren en met de zilveren medaille van Bart Swings –die hier niet kan trainen en in Noorwegen traint- wordt er ook luidop nagedacht over een ijspiste.

Zolang het onduidelijk is wat de visie is van de stad op deze projecten is het moeilijk voor de trekkers van deze projecten om tot concretere plannen over te gaan. Hier moet verandering in komen: de stad moet duidelijk zeggen wat de voorwaarden zijn voor nieuwe sportinfrastructuur en welke steun de stad voorziet.

 Een duidelijk investeringsreglement

Om hier iets aan te doen moeten we overgaan naar een algemeen kader voor sportinfrastructuur waarin duidelijk gesteld wordt welke infrastructuur de stad zelf wil voorzien, in welke gevallen er op clubs of privé-investeerders wordt gerekend en welke ondersteuning deze dan kunnen krijgen en in welke vorm. Door op die manier meer zekerheid te geven zullen clubs en investeerders vaker en sneller concrete plannen naar voor kunnen schuiven die de maatschappij ten goede komen. Om de neutraliteit te waarborgen kan er gewerkt worden met een jury die de maatschappelijke meerwaarde van elk project moet inschatten om zo te bepalen welke sportinfrastructuur prioritair is. Met andere woorden: een simpel voorstel om enige orde te scheppen in dit complexe kluwen opdat de interesse om te investeren in Leuvense sportinfrastructuur toeneemt.